PROTESTANTSE GEMEENTE
LANGEDIJK-NOORD.
Logo Protestantse Kerk in Nederland 
 
 

De scheve toren van .... Oudkarspel

Misschien, als er niets aan was gedaan, was Oudkarspel net zo bekend geworden als Pisa. Maar de kerkvoogden van de Nederlandse Hervormde Kerk vertrouwden het niet met die scheef gezakte toren. Het hele kerkgebouw verkeerde in zeer slechte en vervallen staat. Dat was ook het geval met de toren, die het eigendom was van de gemeente.

Oudere afbeeldingen laten zien dat voorheen de toren niet zo scheef stond.

Zo kon het gebeuren, dat op 17 juni 1867 de kerkvoogden een brief naar het gemeentebestuur zonden met het verzoek 'om het schoollokaal, waarin ze hun godsdienstoefeningen hielden, wegens de slechte staat van het kerkgebouw, nog wat langer te mogen gebruiken' en of het gemeentebestuur de toren, welke scheef was gezakt maar wilde rechtzetten'.

De heren zullen wel met hun ogen hebben geknipperd, maar zij antwoordden: ''Als de heren kerkvoogden besluiten de kerk te gaan restaureren, zullen wij hetzelfde met de toren. Besluit u echter tot sloop en nieuwbouw, dan doen wij insgelijk met de toren''.

Er werd tenslotte in gezamenlijk overleg besloten tot restauratie en op 3 september 1867 kwam er al een brief binnen van de heer K. Klay uit Winkel, die voor fl 1000,- de toren wilde rechtzetten, te betalen als hij recht stond. Men ging daar echter niet op in, maar besloten werd een kundig architect te laten opmaken, ten eerste een bestek en tekening tot herstel der kerk en toren en ten tweede een bestek en tekening van een fatsoenlijke pastorij, te bouwen in het Hof aldaar. Met 'het Hof' werd bedoeld het terrein en de tuin, waar eerder het huis van de ambachtsheer had gestaan. Het zogenaamde kasteel. Dit werd in 1808 gesloopt (thans Dorpsstraat 866 en omgeving).

De aangetrokken architect was de heer Hana, lid der Koninklijke Academie de Beeldende Kunsten te Amsterdam. Deze was bereid gevonden om de bestekken te maken, maar verklaarde wei ''dat het van groot belang zou zijn als het rechtzetten der toren vooraf zou gaan aan het herstel der kerk''. Op 26 maart 1868 geeft de burgemeester in een raadsvergadering te kennen, dat hij weet dat het in de geest der gemeentenaren zou zijn, dat na het rechtzetten der toren, deze tevens ter verfraaiing een spits zou krijgen en verdere versiering aangebracht zouden worden als lijsten, banden en contreforten, als ook een uurwerk met vier wijzerborden en een klok om te luiden.

Het is er allemaal gekomen. maar niet zonder de nodige moeilijkheden. Honderden regels zijn er met de ganzeveren pen geschreven en - hoe kon het ook anders bij zo'n groot werk? - er ontstonden ook de gebruikelijke ruzietjes. Zo lezen we in het raadsverslag van 23 december 1868: 'Er heeft een ongeluk in de kerk plaatsgevonden door het vallen van nieuw gebouwde kolommen. Hierdoor zijn vele werklieden min of meer ernstig gewond'. Aannemer en architect gaven elkaar de schuld, maar het gevolg was, dat de kolommen werden verzwaard, wat dan weer gepaard ging met meerdere kosten enz.enz.

Uiteindelijk stond de toren recht en werd naar genoegen van de dorpelingen verfraaid. Een hoge slanke spits sierde de toren, de wijzerborden werden aangebracht en er werd een nieuw uurwerk aangeschaft. De kerk zelf werd ook grondig hersteld en er werd niet op een dubbeltje gekeken. Het moest mooi worden en dat lukte.

Dat de kerkvoogden financieel in staat waren de kerk zo grondig te restaureren, was hoofdzakelijk te danken aan de nalatenschap van Reyer Adriaanszoon Groenveld, een vroegere burgemeester van Oudkarspel. Hij vermaakte veel van zijn bezittingen - waaronder veel landerijen - aan de kerk van Oudkarspel, waardoor zij in staat was tot grote uitgaven. Het was dan ook niet verwonderlijk, dat een metershoog gedenkbord voor Groenveld in de kerk werd aangebracht. Het hierop voorkomende gedicht werd gemaakt door H.J. Hofdijk en luidde aldus:

-Wie 't schitterende goud,
Verkeert in dof cement
Om daarmee God ter eere een bouwval op te halen
Dien mag het nageslacht dat stille deugd erkent
Wel met den lauwerkrans van eeuwgen dank betalen.
Zo blijft dan Groenvelds naam den Meester loont het werk,
Op 't innigst saamgesnoerd aan deez verbouwde kerk.