Dat zy hem generen met visschen, cleyvoeren ende voorts int lantelinge
Het laatste
kwart van de 15e en het eerste van de 16e waren slechte tijden voor de Langedijk.
De oorzaken? Een lange rij misoogsten, oorlog (Hoekse en Kabeljauwse twisten),
dure grafelijke hofhoudingen, wateroverlast en epidemische ziekten trokken
over het land en putten de bevolking uit. Met als gevolg dat de lasten niet
of maar gedeeltelijk werden opgebracht. Waarop Karel V (als graaf van Holland
Karel 1) last gaf een onderzoek in te stellen omdat Zijne Keizerlijke Majesteit
wilde weten of hij al dan niet beduveld werd door een stelletje lepe boeren.
Het rapport dat is opgesteld is bewaard gebleven en draagt de weidse titel van: 'Informacie up den staet faculteyt ende gelegenheyt van de steden ende dorpen van Hollant ende Vrieslant om daernae te reguleren de nieuwe schiltaele. Gedaan in den jaere MDXIV.' Vertaald in hedendaags Nederlands betekent die hele mondvol: 'Onderzoek naar de omstandigheden en draagkracht van de steden en dorpen in Holland en Friesland om daarop een nieuw belastingstelsel te vestigen. Gedaan in 1514.'
In het rapport passeren alle plaatsen van enige betekenis de revue. Zo wordt Koedijk met Huiswaard door niet minder dan 10 afgevaardigden vertegenwoordigd. En zij geven 'gevraecht bij hueren eede' merkwaardige antwoorden: ''dat zy hem generen (in hun onderhoud voorzien) met lantheyre (landbouw), mit visschen, mit cleyvoeren aen de steenplaetsen (met het graven van klei als grondstof voor de steenovens) ende ten harink vaeren ter huyere (in loondienst de kustvisserij bedrijven)''...dat Koedijk en Huiswaard in vroeger dagen maritieme 'traditie' bezaten is dus niet helemaal een verzinsel. Dat wordt nog eens bevestigd door wat de afgevaardigden van 'Sinte Pancraes onder 't Balliuscip van der Nyenbourch' vertellen: ''dat zij hem generen zomerdaechs ter zee om een huyere''...varen dus als bemanningslid. In 'Outdorp' zijn ze minder gek op de zee, maar''oock sommige van hemlyuden vaeren om vracht mitten te waghen'', dus als eerste expeditieurs.
En Langedijk? Wel, over 'Lagedyck, allias Noortscharwoude, Zuytscharwoude ende Brouck' het volgende: "Seggen, datter in Brouck zijn omtrent 58 haertsteden in als, dius zijnder 2 priesterhuysen en de 16 arme, die om gode gaen of weynich beter. In Noortscharwoude isser omtrent 49 (huizen), dies isser 2 priesterhuysen ende 1 molenaar, die niet en geven (belasting betalen) en de 18 die als niet en hebben ende van de meente (gemeente) leven. In Zuytscharwoude isser omtrent 60, daervan datter zijn 2 priesterhuysen ende 10 arme; ende en zijn noch gemeerdert noch gemindert in 10 jaeren herwaerts. '' Een florissant beeld is het dus niet wat hier wordt geschetst. Hoe zou het ook anders kunnen? De dorpen op het platteland stonden onder jurisdictie (een term die met het woord gezag niet juist vertaald is, maar wel daarmee verwant is) en elke stedelijke vroedschap handelde naar het beginsel: het hemd is nader dan de rok.
En dan Oudkarspel. 'Outkerspel, toebehorende mijnen 'heere de Grave van Egmont' heeft ook wat aparts: ''Zij generen hem (naast de gebruikelijke middelen van bestaan ook met) clycken (dijkaanleg) ende een luttel teelants.'' Wijst dat laatste al op een bescheiden tuinbouw? Bekend is dat in Oudkarspel al lang, héél lang warmoezerij . werd bedreven.
'Harinckkerspel', telt 65 huizen, die "binnen 10 jaeren vermindert zijn 5 haertsteden"...in Westfriesland zit de hond in de pot. Want geen gemeente of er drukken schulden op. Hoe groot die zijn laat zich moeilijk omzetten in
moderne begrippen. De munteenheden waren heel anders en de waarde van het geld veel groter dan nu. Maar een dorp als Koedijk had een schuldenlast die vrijwel niet op te brengen was. Die schulden ontstonden uit velerlei oorzaken waarvan er één was: "Oncosten van den lande ende oorloge van Gelre''...het zal de bewoners een worst zijn geweest of hun landsheer overhoop lag met de hertog van Gelre, maar er moest wel betaald worden. Daarnaast waren er de kosten van de bedijking. Ook die drukten, zoals die van Sint-Pancras heel goed weten: Die hem (hen) wel cost eenen gouden gulden van den mergen'' (morgen= plm.8500 m3).
Al met al, weelde heerste er niet aan de Langedijk en evenmin in de omringende dorpen. Het hele gebied wordt beschouwd als een soort wingewest waarbij er uit moet worden gehaald wat er in zit. De bevolking is daarbij niet zo talrijk: Koedijk en Huiswaard tellen samen 580 1 communicanten'...bevolkingsboekhouding bestond niet in die dagen en de enige die met een redelijke mate van zekerheid over dit onderwerp iets kon zeggen was dan ook de plaatselijke geestelijke. Sint-Pancras brengt het tot 300 zielen en Oudorp tot 120. De drie Langedijker dorpen tellen samen 650 'communicanten'. Oudkarspel had op dit punt wat moeilijkheden omdat zij ''sitten zonder pastoer, zoe hy in Zeelant verdroncken es"maar zij schatten het aantal op een honderd of drie.